|
EVOLUTIE
Wyke (vier) tegen Hinte: "Jij bent het kind, kind. Ik ben de moeder. Papa, wil jij Beppe (oma) zijn?” Papa is liever Pake (opa). “Kan niet, papa, Pake is dood. Mem, jij bent Beppe. Kind, ik moet de school schoonmaken, jij gaat bij Beppe logeren. Kom we gaan inpakken”.
Tas (ook) uit de kast. Hinte (twee) boven op de commode, want er moet spul mee. Muggespul, zonnespul, billenspul, zere-plekkenspul. En veel kleren, alle knuffels en niet te vergeten, het –gesloopte- traphekje.
En midden in die puinhoop (speen in uiteraard, want “sob is zooo lekker, Mem”), Wyke: “Me-em, Hinte komt uit mijn buik, want die is het kind. En jij komt uit de buik van Beppe, want die is jouw moeder. Maar waar komt Beppe dan vandaan?”
“Uit de buik van haar moeder en die had ook weer een moeder en zo verder”.
“Maar, dan houdt het nooit op, en dat kan toch niet en de eerste moeder dan”
En toen ben ik hopeloos verstrikt geraakt in apen (“en de eerste aap dan?”), zeedieren (“en …….?), big bang en zo. Misschien zijn Adam en
Eva toch praktischer, hoewel (“en God dan ….?”).
|
|
|
ONNEBLOEK
Hinte -net twee- is zindelijk. Althans, Hinte vindt zelf van wél: ”Hinte is gloot, Hinte géén luiel meel, Memmie!”. Ook ’s nacht niet meer. Hellup! Eigen schuld. Had ik haar maar gewoon moeten dresseren, met snoep. Of opvoedkundig verantwoord belonen, met stickers. Vindt ze prachtig. Op de
crčche scoort ze er rustig een stuk of 10 per ochtend.
Maar nee, mij leek het handiger om het dragen van grote-meisjes onderbroeken voor te stellen als het hoogste goed op aarde. Wel eens geprobeerd om een boos brokje, hartstochtelijk trappelend mens van net twee (dus voor geen enkele rede vatbaar) een luier aan te doen?
Juist. Dus Hinte en ik naar de HEMA. Onderbroeken kopen. “Hinte zelf onnebloek pakken”. Da’s goed lieve, maar niet allemaal tegelijk en graag ook een beetje in jouw maat. En dan triomfantelijk, met in elk handje een pakje onderbroeken (roze natuurlijk), zélf naar de kassa. In volle galop. Want
Hinte galoppeert of Hinte weigert, Hinte doet niet aan tussenwegen. Langs de hele rij, hoog op de teentjes, onderbroeken net op de rand van de kassa.
In de rij een vertederde, wat oudere heer: “wat heb jij mooie onderbroekjes, meisje”. Hinte, altijd in voor positieve aandacht, hoppa, broek omlaag, als volleerd model heup erin: “kijk, onnebloek”. Dat die onderbroek nogal kapot is en in het vuur van de strijd ergens ter hoogte van haar knietjes
terecht komt, deert haar geen moment.
Dan afrekenen (zčlf) en met de tas (ook zčlf) naar buiten. Alwaar elke voorbijganger wordt aangesproken: “Hallo” (niet negeerbaar hard), “kijk, Hinte zelf onnebloek koopt”. De een waardeert het meer dan de ander (10-jarig, stoer, jongen), maar veel aandacht is haar deel.
We halen Wyke uit school. De onderbroeken móeten mee. En voor ik het weet staan twee moeders en een vader wat onhandig met een piepklein onderbroekje in hun handen, terwijl het kleine opdondertje ondertussen even is gaan “lennen, Memmie, leuk!”.
|
 |